Lieve mensen,

Allereerst aan jullie allen een heel fijn 2009.

Soms nemen mijn gedachten rare sprongen. Toevallig, toen ik mij weer eens bezig hield met "dynamische systemen" (als wiskundige dan), kwam ik deze zin tegen:
"Lorenz is de bedenker van de zogenaamde chaostheorie.
Hij ontdekte dat een kleine verstoring in de atmosfeer grote gevolgen kan hebben voor het weer elders: de wiekslag van een vlinder in China kan een storm in Amerika tot gevolg hebben."
Bron: "Buys Ballotmedaille voor uitvinder chaostheorie"
Persbericht van het K.N.M.I. (17 april 2008)

1. Eulalia

Eulalia zat op een blad van de Rhododendron.
Heel voorzichtig was ze uit de pop gekropen, die onder het blad hing. Langzaamaan vulde ze de aderen in haar vleugels tot ze zich uitspreidden en Eulalia de vlinder werd, zoals de bedoeling was.
Zelf wist ze daar niet zoveel van, want vlinders mogen dan grote vleugels hebben, er zit maar een smal lijfje tussen en daarop maar een minuscuul hoofdje. Er is dus niet zoveel ruimte om te denken en zelfbewust te zijn.
Toch merkte ze dat ze die machtige vleugels kon bewegen, van mechanisch trillen ging het langzaam over tot bewust op en neer bewegen.
Ze merkte ook dat dat bewegen iets te maken had met haar zitten op dat blad. Toen ze haar pootjes ontspande en haar klauwtjes losliet zweefde ze weg van het blad, eerst onzeker nog, maar snel vaster.
Zo fladderde Eulalia boven de rhododendron, eerst nog dichtbij de veilige bladeren onder haar, maar steeds meer durfde ze afstand te nemen van het blad, tot ze vrij fladderde over het gazon diep beneden. .

2. Knorretje.

Knorretje zat zich te zonnen op het gazon.
Het was een van die eerste warme lentedagen, waarop zelfs mensen ineens naar buiten kwamen en in de zon gingen zitten.
Het mocht dan mooi weer zijn, Knorretje had er de pest in.
Wie noemt nu een kat "Knorretje"?
Ze vond dat helemaal niet passen en alweer een van de rare dingen, die mensen deden. Ze kon dan wel zelf geen goede naam bedenken, maar Knorretje was natuurlijk helemaal niks, ze nam zich voor nooit meer naar die naam te luisteren en niet te komen als er Knorretje geroepen werd.
Als ze nu "Poes, poes, poes,..." riepen, okee, dan kon ze er eens over denken te komen, maar Knorretje!, maar zo'n rare uithaal op het eind, nee, geen denken aan...
Gelukkig waren haar boze gedachten snel verdwenen toen Knorretje de vlinder zag, die boven het gazon fladderde.
Gespannen keek ze ernaar, het hoofd ietsje scheef en meebewegend met het gefladder.
Iets van een roofdier werd in haar wakker of misschien was het gewoon nieuwsgierigheid naar dat fladderende schepsel.
Ze sloeg met haar poot, de klauw gespreid naar de vlinder.
Mis natuurlijk, je kon ook eigenlijk niks anders verwachten, want erg serieus was Knorretje eigenlijk niet.
Dat werd anders, toen de vlinder daar bleef fladderen.
Knorretje kon het niet laten ernaar te springen, maar ook dat was mis.
Nu werd het serieus en Knorretje werd boos, ze moest en zou dat fladderende beest vangen. Gespannen zat ze ineen gedoken, tot het juiste moment, dat de vlinder dicht genoeg bij was, en ze sprong op, sloeg naar de vlinder en miste..., weliswaar op een haar na, maar toch.
Mis genoeg om zich meteen te schamen, dus rende ze naar de haag alsof dat steeds haar bedoeling was geweest en verdween door een van die kleine openingen in de tuin van de buren.

3. Joost

Joost lag languit op de warme stenen, de zon voelde warm op de rug, alles was goed zo.
Joost had al een lang hondeleven achter de rug, en vond langzamerhand alles wel goed zo.
De baas was okee, de bazin was okee, ze verwende hem met stukjes worst en aaide hem regelmatig.
Hij aaide dan terug door langs haar benen te schuren.
Hij stond op en rekte zich lui uit; lekker dat zonnetje.
Hij wilde weer gaan liggen, maar zijn aandacht werd getrokken door de kat van de buren, die door de haag kroop.
Wat moet dat beest daar?
Kan'die niet in zijn eigen tuin blijven, wat moet dat daar op zijn gazon, in de tuin van zjn eigen baas?
Joost gromde, maar de kat trok zich er niets van aan, en liep verder alsof ie thuis was.
Joost gromde nog eens wat luider en ging dreigend rechtop staan.
Nog reageerde de kat niet.
Joost werd boos, blafte en rende op de kat af.
De kat zette het op een rennen in de richting van de haag, maar dat had Joost voorzien, dus had'ie de kat daar bijna te pakken.
De kat sloeg een haak en rende het tuinpad af de straat op, met Joost achter zich aan.

4. Karel.

Karel had net zijn rijbewijs.
Hij mocht de auto van Pa eens proberen.
Voorzichtig reed hij door de villawijk. Volgende week, had Pa gezegd, mag je hem wel lenen, als je met Antje naar dat concert wil.
Daarom reed hij nu om te oefenen, want Antje had haar rijbewijs al langer, en hij wilde toch een goed figuur slaan.
Karel zat daar een van de eerste keren zelfstandig achter het stuur en dacht aan Antje, was met zijn aandacht niet helemaal bij het verkeer.
Hij reageerde dus net iets te laat en ietsje verkeerd, toen plotseling een kat en een hond de weg op schoten.
Hij rukte aan het stuur en reed tegen een paaltje, dat precies daar stond om automobilisten in bedwang te houden.
De klap was niet hard, want Karel reed niet snel, de schade leek toch gauw 2500 euro, daar kwam nog 500 bij van de gemeente, voor dat paaltje, had de agent gezegd
Dat concert kon hij wel vergeten, althans dat met die auto.

Veel liefs,
van chaoten
Gerda en Hans