"Op zoek naar een verloren tijd"
(vrij naar Marcel Proust)

Ons huis was een net huis voor nette mensen in de Tulpenstraat, twee etages met een zolder. Beneden een gang met trap, kelderkast, toilet en een keukentje en twee kamers "en suite" met schuifdeuren ertussen.
Boven drie slaapkamers en daar nog weer boven een grote zolder met houten beschot. De "ouder-slaapkamer" aan de voorkant had een minuscuul balkonnetje, net groot genoeg om er beddegoed op te luchten.
Het huis stond in een nette straat met allemaal hl nette mensen.

Naast ons woonde dominee Verbunt, het was niet zo heel duidelijk wat voor soort calvinisme hij predikte, het was iets met "artikel 31" en vrijgemaakt, wat klonk naar godsdienstoorlog. Ik zal niet de enige zijn, die het fijne daarvan nooit heeft begrepen.
Wij hadden weinig kontakt met ze want ze waren "van de fijnen", mijn moeder placht dat plastisch uit te drukken als "zo fijn als gemalen poppenstront". Wij, Roomsen, lustten dat niet zo erg.

Daarnaast woonde meneer Maas met z'n gezin. Hij was een Heer, want direkteur van het plaatselijke arbeidsbureau, iedere morgen prompt met jas aan en hoed op, op de fiets naar kantoor.

Daar weer naast de familie van Velzen, die kwamen uit Zeeland en waren ietsje speciaal. Dochter Toos had een kinderfiets en dat was bijzonder. Ik heb daarop leren fietsen, maar zelf had ik nooit een kinderfiets, een grote tweede hands fiets kon je krijgen, later als je groter was, desnoods met houten klossen op de trappers, zodat je voeten kontakt hielden. Zo'n kinderfietsje was ongehoorde luxe en deze had bovendien een frame met licht gebogen stangen.

Meneer Lascaris, die fietsenmonteur was bij Rijwielhandel "Jo de Kooker" ("Ko de Joker") en tegenover ons woonde, zei dat dat Engels was. Hij schreef het voor ons op "Raleigh", maar je zei "rellie".
Lascaris had achter het huis een schuurtje waar hij, ten eigen bate fietsen opknapte. Oude frames en alle delen werden helemaal glad geschuurd en door hem persoonlijk opnieuw gelakt en met een heel fijn penseeltje maakte hij mooie strakke gouden biesjes op frame, wielen en spatborden.
Als hij biesjes aan het trekken was, mochten we stil toekijken. Zijn jongens, Gerard en Freek, hadden het al te vaak gezien, maar wij vonden het prachtig. Voor op het frame kwam dan nog een plakplaatje. Merkwaardig was wel dat de fietsen op een of andere manier toch hun "tweede-hands-uiterlijk" behielden.

Naast de familie van Velzen woonde de Heer en Mevrouw Rietdijk. Hij was een deftige grijze meneer en boekhouder bij de bollenboer Nieuwenhuizen aan de Heereweg. Zij was een kleine, pronte en heel vriendelijke, maar ook een beetje kleurloze dame.
Hoe het kwam weet ik niet, maar mijn ouders waren dik bevriend met dat echtpaar, ook al waren ze protestant, maar dan van de Grote Hervormde kerk op het Vierkant. Ens in de week werd er samen en avondje gejokerd, soms zelfs met een glaasje Oude Genever voor de mannen en Vermouth voor de dames.

Daar weer naast woonde de familie van der Spek, dat waren ook "fijnen", die gingen naar de kerk aan het eind van onze straat, de "Tulpenstraatkerk" van de "Christelijk Gereformeerde Gemeente". Iedere Zondagmorgen en -middag kwamen die mensen lopend voorbij, want fiets of auto op zondag waren taboe. Ze waren donker en stemming gekleed, de mannen met hoeden en donkere pakken en jassen. De vrouwen en meisjes met hoedjes op en zwarte kousen en kleding, die regelrecht bij zr protestante manufacturenhandel Mijnders vandaan kwam.
Dat waren nog eens kerdiensten, van tien tot twaalf en van drie tot vijf. Geen wonder want als je buiten voor de kerk stond, kon je het langzame, lijzige gezang horen.

Dan had je de familie van Bezu. Hij werkte als commissionair bij de bollenveiling de HBG, de gebouwen stonden schuin tegenover ons huis in onze straat.
Daarnaast woonde mensen van wie ik mij niet anders herinner dan dat ze protestant waren en daarnaast weer Roomsen, de famile Schoorl.

Of je al of niet Rooms was, was belangrijk in Lisse.
Met protestanten had je geen kontakt, als ik iets moest halen bij de kruidenier, moest ik naar de Roomse "Peet Zwetsloot", maar de protestanse kruidenier Mijnders was veel dichterbij! We hadden ook een Roomse bakker en dito slager, Buschman, op het Vierkant.
Met protestanten had je dus geen kontakt, maar mijn ouders waren nette mensen, dus gingen ze weleens naar een begrafenis of huwelijk van een van de straatgenoten in die "fijne kerk". Mijn moeder vertelde dan, dat wat er ook was, erg vrolijk was het nooit, altijd werd er "bekommernis geworpen".
Dat klonk verontrustend, en ook een beetje onbegrijpelijk. Pas veel later begreep ik dat het sloeg op een bijbeltekst: "Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u." (I Petr. 5,7 voor wie het op wil zoeken).

Nee, dan wij Roomsen; een keer per jaar was er "Retraite". Dan kwam er een of ander pater, die eerst drie dagen lang iedere avond hel en verdoemenis preekte. De hele parochie ging dan op de zaterdag "te biecht" en bij de afsluitende viering op zondagmorgen waren we allemaal weer braaf en de "hemelse gelukzaligheid" waardig.

Zo eenvoudig was dat, toen, in die verloren tijd!

Veel groeten uit een Lutheraans Denemarken,
(Gerda heeft dit alles met weinig begrip gelezen)



heel fijne feestdagen,
(mange hilsener og god jul)
Hans en Gerda

mm